Langarm
|
(roman. 192 blz. Uitgeverij Element, Naarden.
ISBN 90 5689 065 4. Tevens in hard cover uitgegeven door de ECI,
i.v.m. de nominatie Een optiecontract voor verfilming van de roman werd reeds bij het verschijnen afgesloten.)
|
![]() |
Als je als kind bij het water kwam, zeiden ze: ‘Pas op want straks komt
Langarm! En die grijpt je. En dan kom je nooit meer terug.’
Het verhaal speelt zich af in de zomer van 1943, in het waterrijke gebied van de Zaanstreek.
In deze roman neemt het monster Langarm voor ieder van de hoofdpersonen verschillende, onverwachte gedaanten aan. Ieder leeft in zijn/haar eigen realiteit. Communicatie over de grenzen daarvan leidt tot hilarische, en tegelijkertijd gruwelijke, misverstanden. De vraag is of het jongetje Louis, een te vroege Orfeus, met zijn geliefde, de mooie, sensuele vrouw Zwaan, zal kunnen ontsnappen aan Langarms territorium, waarvan deze roman een aantal aspecten realistisch in kaart brengt.
Bert
Jansma,
bij de presentatie van Langarm op 21 februari 1999:
“ […] Langarm is voor mij een roman en een thriller. Maar ook een moderne
compositie voor orkest. Waarin de stemmen uit de tijd zijn gelicht, niet meer
simultaan klinken. Out
of joint, als in Shakespeare’s Hamlet. […]
Met ingebouwde echo’s en doordrongen van de condition humaine. Langarm is een
boek van menselijke stemmen, van structuur, van taal. Waarin woorden
verraderlijke bondgenoten zijn. Waarin betekenissen verschuiven en zelfs de loop
van levens zullen gaan bepalen.”
Nieuwe Noord-Hollandse Courant, 20 februari 1999:
“Rigters
tweede roman gaat over klein menselijk gemodder en misverstand. […]
In ‘Langarm’ maakt Rigter opnieuw een variant op het Orfeus en
Euridice motief, waarbij de tienjarige wees Louis wel een zeer jonge Orfeus is,
die veel genegenheid vindt bij Zwaan. Zij is de werkster in het statige huis aan
de Wilhelminalaan van de oom bij wie Louis woont; gemeentesecretaris IJsbrand
Zwidders.
Rigter beschrijft in zijn nieuwe roman een aantal gebeurtenissen, die
telkens vanuit andere invalshoeken worden beleefd. Niet alleen door Zwaan, Louis
en Zwidders, die als gemeentesecretaris onder het Duitse bewind geen
beslissingen durft te nemen en dat overlaat aan zijn ondergeschikten. Ook Zwaans
echtgenoot, verzetsstrijder Leendert de Lange; Johan Bruning, de NSB’er en
ondergeschikte van Zwidders; het jodinnetje Mirjam en verzetsstrijder De Coningh
zijn in dat kader belangrijke personages.
De schrijver rijgt deze persoonlijke belevenissen op vernuftige wijze aan
elkaar tot een samenhangend, spannend verhaal.” […] (Hans Polder)
Zondagochtendblad Zaanstreek, 21 februari 1999:
“In de late zomer van 1943 voltrekt zich in het waterrijke gebied van Noord-Holland een bizar machtsspel. De deelnemers begrijpen zelf uiteindelijk niet wat zich afspeelt tussen bezetter, collaborateurs en verzet. De vraag is of de mooie, warme vrouw Zwaan en het jongetje Louis kunnen ontsnappen als het monster toeslaat. […] In ‘Langarm’ heeft de auteur realiteit en fictie verweven tot een intrigerend verhaal waarin de Zaanstreek en dan met name de Hembrug een prominente plaats inneemt.”
Stichting Nederlandse Bibliotheekdienst, 19 maart 1999:
“De schrijver slaagt erin een bijzondere spanning op te roepen en dat is zonder meer knap te noemen. En zo sluiten vorm en inhoud uitstekend op elkaar aan.” (Drs. E. A. v. Kemenade)
De Telegraaf, 20 maart 1999:
“Hij schrijft pakkende, romanachtige thrillers. Deze speelt in de oorlog en combineert actie met sensualiteit en poëzie.” (Rob Rib)
De 3 Watersteden, 27 april 1999:
“… een prachtige, met vaart geschreven roman, waar voor kenners het klassieke verhaal van Orfeus en Euridice uit de Griekse mythologie doorheen geweven is.”
Kreatief, april-mei-juni 1999:
“… Deze roman is heel fragmentarisch opgebouwd. Het verhaal wordt vanuit verschillende invalshoeken gepresenteerd, doordat de hoofdstukken vanuit verschillende personages beschreven zijn. Maar ook elk hoofdstuk bestaat uit korte, veeleer associatief dan chronologisch verbonden fragmenten. De auteur maakt een handig gebruik van deze techniek: hij verhoogt de spanning door de lezer een hele tijd in het ongewisse te laten en maakt slechts geleidelijk het belang van schijnbaar bijkomstige details duidelijk. Bovendien bevat dit boeiende werk totaal tegengestelde elementen, zoals geweld en moordende passie, erotiek en onschuldige genegenheid, bittere ernst en humor.” (Jef Ector)
Knack, 5 mei 1999:
“…
De hele roman is een aaneenschakeling van misverstanden. Zaken waarover anders
niemand valt, zoals wat zagemeel op de vloer van een schuurtje, lokken in
oorlogstijd achterdocht en woede uit. Wie kun je dan nog vertrouwen? Niemand.
Als het niet zo triestig was, lachte je ermee.
Rigter weet deze ambivalentie tussen
tragedie en komedie goed uit te buiten. De specifieke opbouw van het boek, in
kleine hoofdstukjes die de gebeurtenissen iedere keer met andere ogen
beschrijven en elkaar overlappen, vormt daarbij een geslaagd stijlmiddel. Ieder
personage vult het beeld een beetje meer in, zodat de grappige facetten ervan
altijd een duistere dreiging met zich meedragen.” (Marnix Verplancke)
NRC-Handelsblad, 4 juni 1999:
“Rigter
vertelt met veel schwung en plezier, op de rand van het baldadige. Soms
hilarisch, soms dromerig sensueel, vooral de passage waarin de jongen naar Zwaan
kijkt terwijl zij zichzelf bevredigt. Soms is Rigter bot en hard. Als de Duitser
de vingers van een joodse pianiste heeft gebroken, draait hij een
grammofoonplaat van haar en zegt: “Haar vingers… Ach
du lieber Gott… Als
u die vingers gezien had… Sie wird nie mehr Klavier spielen. Luister…”
De ingewikkelde plot zit knap in elkaar. Verschillende verhaallijnen
kruisen elkaar op onverwachte punten en beïnvloeden elkaar op wonderlijke
wijze. Toeval en misverstand spelen een vrolijk spel met de personages, die
tevergeefs de gebeurtenissen proberen te doorgronden. […] Alle lijnen komen
prachtig bij elkaar in het daverende slot. […]
een heerlijk boek.” (Wilfred Takken)
Leesidee, juni 1999:
“Langarm
is een bizar gedachtespinsel rond macht; zowel de lugubere, onbewuste kant
ervan, als de puur fysieke. Maar het is tegelijkertijd ook een volksverhaal, een
kindersprookje en zelfs een historisch gefundeerd verhaal over de Tweede
Wereldoorlog, over deportatie, bezetting, verzet… […]
Om beurten nemen een zevental hoofdpersonages een hoofdstuk (dat hun naam
dan draagt) voor hun rekening, en komen zo tot een min of meer chronologisch en
vrij gedetailleerd verslag. […] Elk vertelt vanuit zijn standpunt en de
stijlverschillen zijn naast verhelderend, vaak ook geestig. Zo bv. een naïef
sensuele of juist geperverteerde scène, al naar gelang je naar het jongetje of
naar de dienstmeid luistert. […]
Je leest dit boek met een glimlach op je lippen, niet alleen door het
subtiele, bijna minimalistische stijl- en taalgebruik, maar ook doordat het
verhaal zich stilletjesaan van een realistische en ernstige oorlogssituatie, tot
een komedie à la ‘Allô allô’ ontwikkelt. Juist doordat de spelletjes rond
macht en onmacht, agressie, angst, paranoia enz. zo ver doorgedreven worden,
trekken de personages hun eigen realiteit onderuit. Dit is geen boek met
thema’s, maar een onderkoeld geestige spielerei van de auteur.” (Isabelle
Deleu)
VPRO aan de Amstel, 2 juli 1999. Radio-interviewer Anton de Goede:
“Wat
opvalt is dat het een prachtig boekje is. Het is spannend. Het behandelt een
korte episode in en om Purmerend in Noord-Holland in de oorlogsjaren. Preciezer,
het is 1943 […] En vanuit verschillende perspectieven zie je een verhaal van
collaboratie en verzet. Laten we het zo maar noemen…
Wat mij opviel is dat u ontzettend goed de motivatie
duidelijk maakt van enerzijds mensen die in het verzet gaan, helemaal niet omdat
ze nou zo ontzettend dapper zijn, maar misschien eerder omdat ze wat
teleurgesteld zijn in het overige leven, en anderzijds mensen die weer wat
collaboreren, ook weer niet omdat het zulke ontzettende slechte mensen zijn,
maar omdat de situatie hen daartoe brengt. […]
Het is zeker zo dat er geen papegaai voor niks van het dak
valt in uw boek. Het zit ontzettend vernuftig in elkaar […]. Als er H. Mulisch
op de cover had gestaan, dan waren er vermoedelijk al vijftigduizend van
verkocht.”
NCRV, Schuim en As, 9 juli 1999:
“Een boek dat wat ons betreft zo mee kan in de vakantiekoffer […] Wij roepen dat mensen dit absoluut mee op vakantie kunnen nemen. Ik moet er trouwens wel bijzeggen het was weer zo’n boek … dit had ik ook weer in een adem uit.”
De Gay Krant, 10 december 1999:
“…
een verhaal dat zich afspeelt rond 1943 in de waterrijke streek van
Noord-Holland, en dat zich laat lezen als een meeslepende thriller. De titel
verwijst naar Langarm, het symbolische watermonster dat onverwachts op kan
doemen en je dan meesleurt de diepte in, zodat je verdrinkt. Het boek is gekruid
met dit soort symboliek: de onaffe fluit van pre-puber Louis, het schaakbord van
de verzetsleider, de verleidelijke zwaan (is ook de naam van de mooie, geile
dienstbode). Soms schuurt Rigter langs het cliché, maar toch worden zijn
metaforen nergens opdringerig daar hij ze fraai weet te doseren.
Elk personage vertelt een deel van het verhaal en we verlaten als lezer
regelmatig de chronologie om eenzelfde gebeurtenis vanuit een ander perspectief
te bekijken. Elk menselijk instrument krijgt zo een solo en daarin herkennen we
Rigter als jazzmuzikant.
Dat gevoel voor afwisseling en ritme blijkt ook uit het zorgvuldig
gecomponeerde wit. De auteur weet dat in de muziek de rusten van wezenlijk
belang zijn, in zijn verhaal laat hij daarom in het woordeloos wit de spanning
naar gelang oplopen of ontladen, zonder dat dit gekunsteld overkomt.
Langarm
is niet zomaar een oorlogsverhaal maar meer een speelse schets van het menselijk
onvermogen om vrijuit te communiceren. Vlijmscherp is het hoofdstuk met de
krantenartikelen: hierin wordt de manipulatie van pers en politiek aan de kaak
gesteld.
[…] Wees op je hoede voor Langarm maar lees dit van kaft tot kaft
boeiende boek!” (Gooitsen Eenling)